Afgelopen week was ik, om maar eens in het thema van de honderd jaar te blijven, op bezoek bij een dame die de respectabele leeftijd van een heuse eeuw heeft weten te halen. Dat is natuurlijk leuk voor het bankje, en zeker ook leuk om over in gesprek te gaan.

Want stel je eens voor dat je geboren bent in het jaar 1925. Dan heb je de wereld in een ongelofelijk snel tempo zien veranderen. Er waren oorlogen, er was armoede, de industrialisering en digitalisering waren eigenlijk niet bij te benen. De positie van de vrouw veranderde, de wereld werd steeds gemakkelijker toegankelijk en het zorgen, zowel het doen als maken, bleek vast van alle tijden. Aan levenservaring is sowieso geen gebrek.

Toen ik binnenstapte bij deze honderdjarige dame, was ze een beetje in de moppermodus. Ze was er namelijk wel een beetje klaar mee. Door haar lichamelijke beperkingen is ze steeds meer afhankelijk geworden van zorg en kan ze niet meer goed vooruit.

Hoewel iedereen zijn of haar best doet om goed voor haar te zorgen, voelt ze zich met regelmaat betutteld en vindt ze veel van de/het zorgen maar onzin. Dat wondje gaat ook wel over als we er niets aan doen, zo meent ze. En het vallen deed ze al zo vaak, daar maakt ze zich ook niet druk meer om.

Tsja, zo dacht ik daarbij, als u zich geen zorgen maakt en sommige zorg niet wil, wie ben ik dan om dat op te dringen. En ik sprak af om de wondzorg te stoppen. Vervolgens bleek dat ik mijn rol als regiebehandelaar niet helemaal handig uitvoerde, want andere betrokkenen overtuigden mevrouw toch om die zorg weer op te pakken.

Zo blijkt het nog niet mee te vallen om de regie te behouden als honderdjarige en ook niet als regiebehandelaar van dienst. Het is tijd voor een goed gesprek met alle betrokkenen en ik ben benieuwd waar we dan op uit komen.