Ergens begin deze week had ik een gesprek met een dame die recent op één van mijn somatische afdelingen werd opgenomen, haar familie en de zorg. In het gesprek bereikte ik mijn doel, we evalueerden de situatie tot dan toe en keken voor zover mogelijk vooruit.

We hadden het over verwachtingen, van de zorg maar nog meer van het leven voor deze dame. Hoewel het een goed gesprek was, had ik tijdens het gesprek al het gevoel dat het niet af was. Er zat een zogenaamde discrepantie, maar ik kon er niet goed de vinger op leggen.

Pas een paar dagen later realiseerde ik me dat er een verschil was tussen de kijk van de dame op de zaken en die van haar familie. Het leidde tot een soort spanning waardoor ik het contact met de dame niet goed gelegd kreeg.

Dat was een goede reden om op vrijdagmiddag eens rustig terug te gaan. Toen ik een stoel pakte en bij het bed ging zitten, kwam er voorzichtig een soort ontspanning, toen ik mijn hand op de hare legde begon haar duim zachtjes te aaien en mevrouw te vertellen.

De spanning maakte plaats voor een vriendelijke uitdrukking, er was opeens rust te zien, er was ruimte voor een traan en de manier waarop ze liefdevol over haar dierbaren sprak was prachtig om te zien.

Wat fijn dat u mijn hand vasthoudt

zei ze zo tegen het eind van ons gesprek. Dat vind ik ook, antwoordde ik haar, en ik had het niet meer kunnen menen. Ik denk dat we een zeer waardevol gesprek voerden, voor haar, maar zeker net zo waardevol voor mij.